OUDEREN VOORAL SOCIAAL KWETSBAAR

De overheid ziet over het hoofd dat ouderen veel meer nodig hebben dan praktische hulp, betoogt bijzonder hoogleraar Anja Machielse.
De Nederlandse overheid gaat ervan uit dat burgers onafhankelijke en autonome wezens zijn die zelfstandig in de samenleving kunnen functioneren. Politieke keuzes zijn gericht op dit type burger, ook in het ouderenbeleid. De hulp en voorzieningen voor ouderen zijn bedoeld om hun zelfredzaamheid te vergroten en  belemmeringen in het dagelijkse functioneren weg te nemen. Maar dat is niet wat zij nodig hebben. Kwetsbaarheid is veel meer dan een toenemende  zorgbehoefte die gecompenseerd kan worden door praktische voorzieningen. Die heeft ook te maken met sociale verliezen en levensvragen die samenhangen met hun levensfase. Deze sociale kwetsbaarheid krijgt in beleid nog nauwelijks aandacht.
De term ‘kwetsbare ouderen’ verwijst vooral naar ouderen met gezondheidsproblemenen. De nadruk ligt daarbij op praktische hulp, terwijl ouderen zelf worden geconfronteerd met sociale en existentiële problemen, waar die praktische hulp geen oplossing voor biedt. Deze problemen hangen samen met veranderingen in hun sociale netwerk en met levensvragen, zoals het gevoel van eindigheid of het naderende levenseinde.
Inbedding in een netwerk met betekenisvolle relaties helpt hen om ‘overeind’ te blijven als ze te maken krijgen met fysieke en mentale achteruitgang en met vragen over verlies en zingeving. Veel ouderen zien echter juist hun sociale netwerk inkrimpen, terwijl hun behoefte daaraan toeneemt. Dierbare personen overlijden en lichamelijke belemmeringen en een teruglopende mobiliteit maken het moeilijker om bestaande contacten te onderhouden. Ook de aard van bestaande relaties kan veranderen door toenemende afhankelijkheid.  Nieuwe contacten zijn vaak moeilijk te leggen en hebben niet altijd de gewenste diepgang.

Gevoel van nutteloosheid

Het gemis aan betekenisvolle contacten, in combinatie met sociale verliezen en een toenemende zorgbehoefte leidt bij veel ouderen tot gevoelens van onmacht, nutteloosheid  en eenzaamheid. Door het wegvallen van de partner, een broer of zus, een goede vriend of vriendin, of door het gemis aan een breder netwerk van vrienden en kennissen. Als iemand door gezondheidsproblemen niet meer mee kan doen aan allerlei sociale activiteiten, of als vrienden en bekenden elkaar minder vaak kunnen ontmoeten, ontstaan vaak hevige gevoelens van eenzaamheid.
Die eenzaamheid ontstaat ook als mensen het gevoel hebben dat ze ‘er niet meer toe doen’ of ‘overbodig’ zijn, omdat ze geen duidelijke maatschappelijke rol meer vervullen of niet meer voor vol worden aangezien. Berichten in de media over de hoge zorgkosten en het framen van ouderen als een groep die de samenleving vooral tot last is, kunnen dit gevoel van overbodigheid versterken en het gevoel van zin volheid aantasten.
Dit alles maakt duidelijk dat de hulp die ouderen nodig hebben niet alleen gericht moet zijn op hun praktische functioneren, maar vooral ook op deze sociale kwetsbaarheid, die het wegvallen van een belangrijke bron van zingeving en kwaliteit van leven impliceert. Een andere voorwaarde om het leven als zin vol te ervaren, is het gevoel volwaardig mee te tellen in de samenleving. Dit betekent dat beleid niet alleen gericht moet zijn op hulp aan de ouderen zelf. Het stelt ook eisen aan de bredere gemeenschap waarvan zij deel uitmaken.
Het vereist een gemeenschap die openstaat voor kwetsbare ouderen en hen actief bij de samenleving probeert te betrekken. Zaken die tot uitdrukking kunnen komen in een humane samenleving waarin alle mensen een zinvol leven kunnen leiden, ongeacht hun beperkingen. Zaken die tevens centraal moeten staan in de recente discussie over het ‘voltooid’ leven.

Veel ouderen hebben behoefte aan meer sociaal contact.

FOTO ROBIN VAN LONKHUIJSEN, ANP